Selecteer een pagina

(Bijlage II uit Weg uit Babylon)

De zeventig jaarweken uit Daniel 9:24-27 (HSV)

 24. Zeventig weken zijn er bepaald over uw volk en uw heilige stad, om de overtreding te beëindigen, de zonden te verzegelen, de ongerechtigheid te verzoenen, om een eeuwige gerechtigheid tot stand te brengen, om visioen en profeet te verzegelen, en om de Heiligheid van heiligheden te zalven.

 25 U moet weten en begrijpen: vanaf de tijd dat het woord uitgaat om te laten terugkeren en om Jeruzalem te herbouwen tot op Messias, de Vorst, verstrijken er zeven weken en tweeënzestig weken. Plein en gracht zullen opnieuw gebouwd worden, maar wel in benauwde tijden.

 26 Na de tweeënzestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hemzelf zijn. Een volk van een vorst, een volk dat komen zal, zal de stad en het heiligdom te gronde richten. Het einde ervan zal zijn in de overstromende vloed en tot het einde toe zal er oorlog zijn, verwoestingen waartoe vast besloten is.

 27 Hij zal voor velen het verbond versterken, één week lang. Halverwege de week zal Hij slachtoffer en graanoffer doen ophouden. Over de gruwelijke vleugel zal een verwoester zijn, zelfs tot aan de voleinding, die, vast besloten, uitgegoten zal worden over de verwoeste.

VERZEN 25-27: Gabriël plaatste het begin van de 490 jaar ‘vanaf het ogenblik dat het woord zou uitgaan om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen’. In 457 BC gaf koning Arthasasta dat bevel (Ezra 7: 12-26). Daarna zouden ‘zeven weken en twee en zestig weken’ reiken tot aan ‘een Gezalfde, een Vorst (Hebreeuws: Meshiach)’. De Hebreeuwse tekst staat toe dat de 7 weken en 62 weken achter elkaar geplaatst worden, zoals ook de (Herziene) Statenvertaling weergeeft: ‘ tot op Messias, de Vorst, verstrijken er zeven weken en tweeënzestig weken’. Deze profetische negen en zestig weken vertegenwoordigen ‘jaar-weken’ en beslaan een periode van 483 jaren (Vergelijk ook Numeri 14:34 en Ezechiël 4:6).

Toen de Heere Jezus in de Jordaan gedoopt werd, daalde de Heilige Geest op Hem in de vorm van een duif. God maakte Hem daar tot de Messias, de beloofde Gezalfde. In Handelingen 2:36 zegt Petrus dan ook: “Want Hij heeft Hem tot Heere en Messias gemaakt”. De doop van de Heere Jezus gebeurde precies 483 jaar na het bevel om Jeruzalem te herbouwen. De Heere Jezus begon toen Zijn openbare bediening. Lukas 3:1 geeft aan dat de doop van de Heere Jezus plaatsvond in het vijftiende jaar van de regering van keizer Tiberius, dat is 27 AD. Vandaar dat ons die datum bekend is. Hoe wonderlijk mooi en volledig dat de Heere God deze datum in Zijn Woord liet opnemen!

In feite zou deze dag precies op het jaar 30 AD uitgekomen moeten zijn, maar er is een verschil van 3 jaar. De Heere Jezus is echter, volgens de europese jaartelling, rond het jaar 5 BC geboren en daarna is men van 1 BC naar 1 AD over gesprongen. Deze feiten zijn terug te vinden in encyclopedia.

Gedurende  ‘1 week’ ( 7 jaar) werd het verbond van verlossing door Zijn vergoten Bloed bevestigd onder (alleen) het volk Israel. Maar ‘in de helft van de week’ ( vs 27) deed Hij ‘slachtoffer en graanoffer ophouden’. Alle offers, die de Israelieten brachten, wezen op het volmaakte offer van de Heiland van deze wereld op Golgotha, voor de zonden van de hele wereld (1 Joh 2: 1,2).

Toen Hij ‘halverwege de (profetische) week’ stierf, drie en half jaar nadat God Hem tot Messias had gemaakt, ontmoetten schaduw en werkelijkheid elkaar. Door een onzichtbare Hand werd het binnenste voorhangsel van de tempel van boven naar beneden gescheurd. (Matt. 27:51.) Op dat moment hadden de offeranden in de aardse tempel geen wezenlijke betekenis van verzoenmiddel meer.

De bevestiging van het verbond met Israel alleen duurde tot het jaar 34 AD. Dat was het einde van de profetische, zeventigste week. Daarna werd het evangelie door Petrus en Paulus ook aan de heidenen gebracht en werden zij ook in het Nieuwe Verbond betrokken.  De Bijbel noemt dit ‘tegen de natuur in op de tamme olijfboom geënt’ (Rom 11:24).

De 490 profetische jaren van Daniel waren voorbij. De Heere Jezus doet nu voorbede voor Zijn gemeente, de gelovige Jood en de gelovige heiden (Gal. 3:14, 26-29). Hij doet het werk van de Hogepriester in het hemelse heiligdom (Hebreeën 8), vanwaar Hij spoedig komen zal. Maranatha.

Giessenburg, januari 2012,

Arie van Ooijen

  •  
  •  
  •  
  •